Strategische werkconferentie: Vertrouwen in de toekomst van de lerarenopleidingen
10 juni 2009
Op 10 juni organiseerde de VELON een strategische werkconferentie rond de toekomst van het stelsel en de kwaliteit van de lerarenopleidingen. Met deze werkconferentie wil de VELON als beroepsgroep van lerarenopleiders een bijdrage leveren aan het herstel van vertrouwen in de kwaliteit van het stelsel van lerarenopleidingen in het komende decennium.
De lerarenopleidingen mogen zich verheugen in een grote maatschappelijke belangstelling. De kwaliteit van leraren is immers een belangrijke voorwaarde voor de kwaliteit van het onderwijs. In de afgelopen jaren is er echter regelmatig twijfel uitgesproken over de kwaliteit van de lerarenopleidingen.
Een beroepsgroep moet zich deze twijfel serieus aantrekken. Om die reden kan de VELON als beroepsgroep van lerarenopleiders dus niet wegblijven uit het maatschappelijke debat over de lerarenopleiding. De beroepsgroep dient haar verantwoordelijkheid te nemen bij het verder herstellen van het maatschappelijk vertrouwen en het waarborgen van de kwaliteit van het dagelijks werk van de leden van de beroepsgroep. De beroepsgroep kan daarbij een bijzondere rol vervullen: zij is op dit moment de enige partij die over de subsectoren heen gaat en onafhankelijk is van instellingsbelangen.
Er wordt reeds op verschillende plaatsen gewerkt aan een hersteld (maatschappelijk/politiek) vertrouwen in de lerarenopleidingen. Het herstel van maatschappelijk vertrouwen wordt echter in onze ogen bemoeilijkt door een aantal structurele problemen binnen de sector van lerarenopleidingen, die een belemmering vormen voor de verdere ontwikkeling en verbetering van de kwaliteit en het herstel van vertrouwen. Als die problemen niet opgelost worden, wordt het herstel van vertrouwen bemoeilijkt.
Het VELON bestuur heeft daarom in een bijeenkomst met leden een verkenning gemaakt van mogelijke toekomsten voor het stelsel van opleidingen en de kwaliteitsborging daarvan door middel van het ontwikkelen van alternatieve toekomstscenario’s. Deze strategische werkconferentie 'Vertrouwen in de toekomst van de Lerarenopleidingen' vond plaats op 10 juni 2009 met ca. 25 belangstellende leden. Dit leidde tot verschillende oplossingsrichtingen die voor de zomer door het bestuur worden uitgewerkt.
Doel is om de oplossingsrichtingen in een vervolgbijeenkomst (medio september) aan een breder publiek te presenteren en daar het gesprek over aan te gaan met de sectororganisaties (ICL, ADEF, LOBO, SAC, VSNU en HBO-raad) en met vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in het onderwijs.
De lerarenopleidingen mogen zich verheugen in een grote maatschappelijke belangstelling. De kwaliteit van leraren is immers een belangrijke voorwaarde voor de kwaliteit van het onderwijs. In de afgelopen jaren is er echter regelmatig twijfel uitgesproken over de kwaliteit van de lerarenopleidingen. Hoewel niet vaak een verbijzondering wordt gemaakt, lijkt deze toe te spitsen op de PABO’s en tweedegraads lerarenopleidingen.
Een beroepsgroep moet zich de twijfel over de kwaliteit van haar werk serieus aantrekken. Om die reden kan de VELON als beroepsgroep van lerarenopleiders dus niet wegblijven uit het maatschappelijke debat over de lerarenopleiding. De beroepsgroep dient haar verantwoordelijkheid te nemen bij het herstellen van het maatschappelijk vertrouwen en het waarborgen van de kwaliteit van het dagelijks werk van de leden van de beroepsgroep.
Vanuit dit besef is de VELON het gesprek aangegaan met de staatssecretaris over de kwaliteit van de lerarenopleider en in navolging de kwaliteit van de lerarenopleiding. De staatssecretaris verwees ons naar de onderwijsraad en de HBO-raad waar gewerkt wordt aan maatregelen en adviezen die een bijdrage moeten leveren aan het herstel van het maatschappelijk vertrouwen. In de afgelopen weken hebben vertegenwoordigers van de VELON gesprekken gevoerd met de Onderwijsraad en met Gerard van der Hoven, projectleider van het project kennis-toetsen (K3) van de lerarenopleidingen VO/BVE,. Mede op basis van deze gesprekken, doet de VELON een aantal constateringen.
Structurele problemen bij het herstellen van het vertrouwen in de lerarenopleidingen
Er wordt gewerkt aan een hersteld (maatschappelijk/politiek) vertrouwen in de lerarenopleidingen. Dit vertrouwen is nodig om bij de lerarenopleider weer vertrouwen te geven in de werkzaamheden van alle dag.
Het herstel van maatschappelijk vertrouwen wordt echter in onze ogen bemoeilijkt door een aantal structurele problemen binnen de sector van lerarenopleidingen, die een belemmering vormen voor de verdere ontwikkeling en verbetering van de kwaliteit en het herstel van vertrouwen.
- In de afgelopen jaren is er aanhoudende kritiek geweest op de kwaliteit van de lerarenopleidingen. Waar in eerste instantie de kritiek vooral betrekking had op de naar binnengerichtheid en het gebrek aan vraaggerichtheid, richt de kritiek zich momenteel op de vakinhoudelijke kwaliteit van de (HBO) leraar. De lerarenopleidingen lijken zich enerzijds in hun strategie erg te laten leiden door de kritiek en lijken anderzijds weinig effectief in het wegnemen van het wantrouwen.
De huidige kritiek op het vakinhoudelijk niveau van de lerarenopleidingen kan daardoor makkelijk leiden tot een te eenzijdige (slechts vakinhoudelijke) visie op kwaliteit. Dit gaat ten koste van een integrale visie op lerarenkwaliteit. - De vergrijzing binnen de (momenteel vooral voortgezet) onderwijssector leidt tot een dreigend tekort. Dit heeft geleid tot een veelheid aan initiatieven om nieuwe doelgroepen te interesseren voor het beroep van leraar. Daartoe zijn veel nieuwe routes ontworpen (zij-instroom, kop-opleiding, educatieve minor), waarbij in veel gevallen aparte (gelegenheids) regelgeving moest worden ontwikkeld ten aanzien van inzetbaarheid, bevoegdheid, bekostiging en studiefinanciering. Dit alles heeft geleid tot een weinig transparant en consistent stelsel. Tegelijk lijkt een expliciete verbinding tussen het kwantiteitsvraagstuk en het kwaliteitsvraagstuk te ontbreken. Daardoor ontstaat het risico dat oplossingen op kwantitatief vlak leiden tot een toename van de kritiek op kwalitatief vlak.
- Instellings- en sectorbelangen lijken de discussies over oplossingsrichtingen te domineren. De sector is verdeeld in verschillende delen waarbij weinig onderling overleg is. Allereerst is er het onderscheid tussen universitaire en hbo-lerarenopleidingen waartussen weinig tot geen structurele onderlinge contacten bestaan. Binnen het HBO is er onderscheid tussen de lerarenopleidingen VO/BVE en de lerarenopleidingen basisonderwijs (elk vertegenwoordigd in respectievelijk ADEF en LOBO) met daarnaast nog allerlei kleinere lerarenopleidingen (speciaal onderwijs, kunstenopleidingen, lerarenopleidingen LO en de Agrarische Lerarenopleidingen). Formeel vertegenwoordigt het Sectoraal Adviescollege HPO (SAC) de gezamenlijke belangen, maar het SAC heeft zich afgelopen jaren weinig geprofileerd als gezamenlijk platform en woordvoerder namens de opleidingen. De verdeeldheid en het gebrek aan gezamenlijk overleg heeft ertoe geleid dat belangenbehartiging vooral plaats vond vanuit subsectoren en niet vanuit het totaalbelang van de sector. Discussies over het stelsel hebben in de afgelopen jaren daardoor slechts geleid tot voorstellen voor deeloplossingen en in sommige gevallen de deelsectoren eerder tegenover elkaar doen staan, dan dat er sprake was van gedeeld optrekken. Voorbeelden zijn de discussies over een lerarenopleiding funderend onderwijs enige tijd geleden en de recente discussie over de educatieve minor in de academische bachelor.
- Een gevolg van de hierboven geschetste verdeeldheid is dat er geen gezamenlijke regie is op het vinden van oplossingen. VSNU/ICL en HBO-raad maken los van elkaar afspraken met de staatssecretaris. Bovendien ontbreekt gezamenlijke verantwoordelijkheid en regie ten aanzien van essentiële onderdelen van de infrastructuur rond de lerarenopleidingen, zoals de kennisbasis en de landelijke expertisecentra.
- Op basis van de kritiek op de lerarenopleidingen hebben de hogescholen en universiteiten afgelopen periode pogingen gedaan om expliciete kwaliteitskaders te formuleren. Omdat de lerarenopleidingen regie in eigen hand willen houden, zijn de (vakinhoudelijke) kaders binnen eigen sectoren ontwikkeld en vastgesteld. Gevolg is echter dat de lerarenopleidingen ook aangesproken worden wanneer maatschappelijk het gevoel bestaat dat de kwaliteitskaders niet voldoende zijn. Daarmee blijven de lerarenopleiding een mikpunt van kritiek uit verschillende hoeken van de samenleving. Het is de vraag of het niet wenselijker is wanneer de kaders voor de kwaliteit waar aankomende leraren aan moeten voldoen, buiten de sector worden vastgesteld (bijvoorbeeld door stakeholder-organisaties zoals SBL, LPBO, of een overleg van werkgevers en werknemers) en de lerarenopleiding zich niet meer moet opstellen van uitvoerder van maatschappelijk vastgestelde kwaliteitskaders.
- De kritiek op lerarenopleidingen bestaat al vele jaren, al is het onderwerp van kritiek wisselend. Twee dingen vallen daarbij op:
a. het Nederlandse onderwijs scoort internationaal goed in vergelijkende benchmarks als PISA, TIMMS, etc. In die zin lijkt er weinig aanleiding voor de voortdurende kritiek (die heviger is dan in andere landen)
b. In steeds meer Europese landen wordt, gegeven de hoge verwachting die er maatschappelijk zijn t.a.v. de kwaliteit van leraren, besloten om de initiële lerarenopleidingen op masterniveau te brengen. Dat is een feitelijke erkenning dat de maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van leraren niet te realiseren zijn op bachelorniveau. In Nederland wordt die keuze niet gemaakt voor de HBO-lerarenopleidingen, terwijl de verwachtingen ten aanzien van leraren minstens zo hoog zijn als in de ons omringende landen. Vraag is dus of de kritiek op HBO-lerarenopleidingen niet voor een belangrijk deel te maken heeft met het feit dat we meer eisen dan in een vierjarige bachelor-opleiding te realiseren is.
De bovengenoemde punten vragen om een gezamenlijke strategie van de hele sector om te komen tot een realistisch en transparant stelsel waarbinnen de kwaliteit gewaarborgd is en voldoende leraren opgeleid (kunnen) worden.
De VELON wil daar door middel van de strategische werkconferentie op 10 juni een bijdrage aan leveren.
Programma
| 15:00 | Opening / Inleiding over de aanleiding voor de strategische werkconferentie |
| 15:20 | Vertrouwen in de toekomst van de lerarenopleidingen. Omgevingsanalyse door Marco Snoek gevolgd door pleneaire discussie |
| 16:00 | Uitwerken van toekomstscenario's in subgroepen |
| 18:00 | Eenvoudige maaltijd |
| 19:00 | Presentatie van de uitgewerkte scenario's |
| 19:30 | Discussie over de bruikbaarheid van de uitwerkingen en vervolgstappen |
| 20:00 | Afsluiting |







