Velon
VELOV congres 2012
VELON factsheet
Lid worden
Vlaanderen
Discussie
Lieve Lita

Beroepsstandaard (instituutsopleiders)

Registratie als lerarenopleider vindt plaats aan de hand van een beroepsstandaard, vastgesteld door de beroepsgroep.
De beroepsstandaard heeft als referentiepunt de gemiddeld ervaren lerarenopleider in een wenselijke situatie. Het is een standaard die geldt voor alle lerarenopleiders (zowel opleiders bij lerarenopleidingen basis- als voortgezet onderwijs, in scholen, hbo- en wo-instellingen).
De beroepsstandaard was in eerste instantie bedoeld voor instituutsopleiders. In een latere fase is ook een standaard voor schoolopleiders vastgesteld (zie hiervoor de volgende pagina).
In 2003 werd na consultatie van lerarenopleiders de standaard voor instituutsopleiders aangepast. Hieronder vindt u de tweede (en meest recente) versie.

Beroepsstandaard (instituutsopleiders)
2e versie, september 2003

Grondslag voor het opleiderschap
1.1 De lerarenopleider geeft vorm aan de drieslag: (1) zicht hebben hoe leerlingen zich ontwikkelen; (2) begeleiden van de ontwikkeling van toekomstige leerkrachten en
(3) sturen van de eigen ontwikkeling als opleider.
1.2 De lerarenopleider is initiatiefrijk, motiverend, betrokken, geïnteresseerd, kritisch, open, probleemoplossend, tactvol, flexibel, en zet deze kwaliteiten in in samenhang en op een evenwichtige manier.
1.3 De lerarenopleider stelt de ontwikkeling van de deelnemers centraal, stimuleert de deelnemers om daarin eigen verantwoordelijkheid te nemen en neemt de inbreng van de deelnemers serieus.
1.4 De lerarenopleider vervult een voorbeeldfunctie.

Interpersoonlijk en (ped)agogisch
De lerarenopleider:
2.1 Creëert een veilige (werk)sfeer.
2.2 Stelt zich open voor en luistert actief naar anderen.
2.3 Hanteert groepsdynamische processen binnen groepen deelnemers en stimuleert de interactie tussen opleider en deelnemers en tussen deelnemers onderling.
2.4 Maakt gebruik van de input van deelnemers en ontplooit initiatieven met deelnemers.
2.5 Geeft ruimte, neemt leiding en confronteert, en doet dit op een evenwichtige manier.
2.6 Gaat op een adequate manier om met stimulerende en remmende factoren.
2.7 Ondersteunt deelnemers in hun (beroeps)identiteitsontwikkeling.
2.8 Stimuleert waardenoriëntatie bij deelnemers en is zich bewust van zijn eigen waardenoriëntatie.

Opleidingsdidactisch
De lerarenopleider:
3.1 Vertaalt nieuwe ontwikkelingen in het eigen deskundigheidsgebied en het onderwijs naar het opleidingsonderwijs.
3.2 Creëert voor deelnemers een krachtige en inspirerende leeromgeving
3.3 Doet recht aan verschillen tussen deelnemers.
3.4 Maakt de gehanteerde didactische aanpak inzichtelijk, reflecteert met de deelnemers op de didactische keuzen en daagt hen uit tot het maken van eigen keuzen.
3.5 Maakt gebruik van de ervaringen van de deelnemers, verdiept deze ervaringen en stimuleert dat deelnemers deze ervaringen vertalen in praktische werktheorieën.
3.6 Begeleidt deelnemers bij het uitvoeren van (actie)onderzoek.
3.7 Ontwikkelt instrumenten voor (zelf)beoordeling van professionele bekwaamheden en beoordeelt deelnemers op hun geschiktheid.
3.8 Stimuleert deelnemers tot reflectie op hun ervaringen, tot zelfverantwoordelijkheid voor hun leerproces en tot zelfbeoordeling van hun geschiktheid.

Organisatorisch
De lerarenopleider:
4.1 Bewaakt de voortgang in het leerproces van de deelnemers en legt deze vast.
4.2 Organiseert goed het eigen werk en de eigen tijd.
4.3 Creëert in randvoorwaardelijk opzicht een krachtige fysieke en virtuele leeromgeving.
4.4 Improviseert als dat nodig is.

Werken met collega’s binnen de organisatie
De lerarenopleider:
5.1 Werkt samen in multi-disciplinaire teams.
5.2 Expliciteert de eigen onderwijsvisie, relateert deze aan de visie en het concept van collega’s en de organisatie en communiceert hierover.
5.3 Draagt bij aan de beleids- en visieontwikkeling en beleidsuitvoering binnen de eigen organisatie.
5.4 Geeft met collega’s vorm aan ontwikkeling, voorbereiding, uitvoering en bijstelling/vernieuwing van de opleiding.
5.5 Maakt het eigen functioneren in de werkomgeving zichtbaar voor collega’s.

Werken in een brede context
De lerarenopleider:
6.1 Onderhoudt een voor de taakuitoefening relevant regionaal of (inter)nationaal netwerk.
6.2 Levert een bijdrage aan de (discussie over de) vernieuwing van het onderwijs en de opleiding van leraren.
6.3 Levert een bijdrage aan de kennisproductie over opleiden en onderwijzen.

Werken aan de eigen ontwikkeling
De lerarenopleider:
7.1 Onderhoudt de kennis en vaardigheden op het eigen deskundigheidsgebied en bouwt deze uit.
7.2 Schat nieuwe ontwikkelingen (bijvoorbeeld ten aanzien van nieuwe technologieën) samen met anderen op hun waarde en vertaalt deze naar het eigen handelen in de opleidingssituatie.
7.3 Reflecteert systematisch op de eigen didactiek en het eigen (onderwijs)gedrag.
7.4 Maakt het eigen leerproces zichtbaar naar deelnemers en collega’s